Please do not cite or circulate the printed version of this HTML document. Please refer instead to the original online version of this document, which is available online at , or contact the author(s).

Commentary

Epistemologie en digitale geesteswetenschappen

Een reflectie op Jean Baudrillard, David M. Berry en Richard Rogers

Fernando N. van der Vlist

(College of Humanities,) University of Amsterdam, the Netherlands

Working paper

Published online: 6 December 2012

Reflectie op:
1. Jean Baudrillard. “The Implosion of Meaning in the Media.” Simulacra & Simulation. 1981. Trans. Sheila Faria Glaser. Ann Arbor: University of Michigan Press, 1995. 79–86. ISBN: 978-0-472-09521-6.
2. David M. Berry. “The Computational Turn: Thinking About the Digital Humanities.” Culture Machine 12 (2011): 1–22. ISSN: 1465-4121.
3. Richard A. Rogers. Information Politics on the Web. Cambridge, MA: The MIT Press, 2004. i–xi, 1–200. ISBN: 0-262-18242-4.

1. Introductie

Deze wetenschapsfilosofische beschouwing is een epistemologische reflectie op het normatieve aspect van de digitale geesteswetenschappen. In deze relatief nieuwe onderzoekstraditie maken wetenschappers gebruik van computationele methoden om tot nieuwe inzichten te komen in geesteswetenschappelijke vraagstukken. Deze ‘computationele wending’ in de geesteswetenschappen is momenteel een veel besproken thema. Computationele methoden bieden namelijk een breed scala aan mogelijkheden om op kwantitatieve basis onderzoek te kunnen doen naar allerlei fenomenen en objecten, waaronder ook objecten uit de digitale media. Een aantal belangrijke consequenties van dit laatste zullen in deze epistemologische beschouwing centraal komen te staan.

Allereerst zullen de implicaties van Jean Baudrillard's veel besproken publicatie Simulacra and Simulation (1981) worden behandeld in relatie tot dit hoofdthema. Het gaat dan vooral om de problematisering van de toegang tot een empirische werkelijkheid die Baudrillard's notie van simulacrum van betekenis impliceert. Daarmee richt het eerste deel zich op de semiotiek die sinds de ‘talige wending’ in de jaren zestig een belangrijke en zelfs centrale rol is gaan spelen in de wetenschapsfilosofie. In het artikel „The computational Turn: Thinking About the Digital Humanities” (2011) stelt David Berry dat er nu sprake is van een ‘computationele wending’. Berry richt zich hier op de implicaties van deze verandering in de geesteswetenschappelijke ontologie voor de universiteit en komt met een vernieuwd Bildungsideaal. Met dit vernieuwde Bildungsideaal stelt hij onder meer het bestaansrecht van de geesteswetenschappen ter discussie, maar lijkt daar in zijn artikel echter aan voorbij te gaan. In het tweede deel staat die discussie daarom centraal. Tenslotte wordt Richard Rogers' publicatie Information Politics on the Web (2004) behandeld als case-study voor digitale geesteswetenschappen. In deze publicatie onderzoekt Rogers namelijk aan de hand van concrete methoden de aard van kennis in een Webgeörienteerde kenniscultuur, en probeert hij antwoord te geven op de vraag hoe we kennis kunnen verkrijgen binnen die kenniscultuur. Door Rogers' belangrijkste concepten te behandelen wordt duidelijk hoe het gebruik van computationele methoden een andere kijk op het Web als medium biedt en tot een specifieke vorm van kennis zal leiden.

De relevantie van deze beschouwing mag duidelijk zijn: naast de problematisering van de toegang tot de empirische werkelijkheid door Baudrillard komen ook de geesteswetenschappen zelf ter discussie te staan door het artikel van Berry. Tegelijkertijd biedt het de mediastudies (vooral naar nieuwe media) een vruchtbare bodem om met computationele methoden objecten te kunnen onderzoeken en tot nieuwe inzichten te komen.

2. Simulacra en de onkenbaarheid van een hyperrealiteit

Jean Baudrillard begint het hoofdstuk ‘The Implosion of Meaning in the Media’ met een radicale stelling: „We live in a world where there is more and more information, and less and less meaning” (79). Baudrillard betoogt met deze stelling dat er sprake is van een mythe die de illusie voorhoud dat betekenis en informatie evenredig met elkaar zouden groeien. Meer informatie betekent volgens deze mythe meer kennis, en een geïnformeerd oordeel wordt daarmee ook een beter oordeel. Volgens Baudrillard is dit niet het geval. Simpel gezegd bestaat er voor Baudrillard geen directe relatie meer tussen de werkelijkheid en onze geest. We leven in een hyperrealiteit waarin tekens slechts verwijzen naar elkaar en meer naar een empirische werkelijkheid. Het simulacrum is waar: „It is a question of substituting the signs of the real for the real, that is to say of an operation of deterring every real process via its operational double, a programmatic, metastable, perfectly descriptive machine that offers all the signs of the real and short-circuits all its vicissitudes” (2).

Het simulacrum problematiseert de kenbaarheid van de empirische werkelijkheid, door een omkering van het Saussureaanse model van significatie. Volgens dit model bestaat is de wereld voor ons kenbaar door een arbitraire (d.w.z. op conventie berustende) relatie tussen de signifiant (betekenaar) en de signifié (betekende) de ruimte kan overbruggen tussen geestelijke representatie en empirische werkelijkheid. Het simulacrum stelt echter het tegengestelde: tekens verwijzen niet naar de buitenwereld, maar enkel naar zichzelf. Het simulacrum is daarom zelf-referentieel. Niet alleen deze zelfreferentialiteit, maar ook de zoektocht naar waarheid in het algemeen maken Baudrillard tot een denker in de postmoderne traditie. Volgens hem is het leven in een postmoderne tijd zonder simulacrum dan ook onmogelijk; het simulacrum omvat alle stadia van communicatie, inclusief en vooral de productie daarvan. De nadruk die Baudrillard hier de productie van tekens legt onthuld zijn intellectuele achtergrond in het marxistische denken. Voor hem maken niet alleen het publiek, maar ook antimedia zoals citizen journalism of piratenzenders net zo goed deel uit van de productie van het simulacrum door wat hij noemt „staging of communication” (80). Dit laatste zal vooral van belang blijken in relatie tot Rogers' epistemologische benadering van het Web.

De nadruk die bij Baudrillard ligt op het teken is een gevolg van de talige wending die plaatsvond in de jaren zestig. Nu, vijftig jaar later, stelt David Berry dat er nu sprake is van een computationele wending in de geesteswetenschappen. Hieronder zullen een aantal epistemologische implicaties van die wending worden besproken.

3. Digital Bildung en de computationele wending in de geesteswetenschappen

David M. Berry beschrijft in zijn artikel „The computational Turn: Thinking About the Digital Humanities” een computationele wending in de geesteswetenschappen. Die wending betreft een verandering in de ontologie van geesteswetenschappen en omvat voor hem een nieuwe relatie tussen cultuur en software. Meer specifiek stelt Berry dat computer code kan dienen als een index naar digitale cultuur. „Understanding digitale geesteswetenschappen is in some sense then understanding code, and this can be a resourceful way of understanding cultural production more generally: for example, just as digital typesetting transformed the print newspaper industry, eBook and eInk technologies are likely to do so again. We thus need to take computation as the key issue that is underlying these changes across mediums, industries and economies” (5). Het centraal stellen van computatie is voor Berry dus een hoeksteen om de digitale geesteswetenschappen te begrijpen. Daarmee vervangt hij de universele rede die sinds Kant de centrale hoeksteen binnen de wetenschappen is geweest. Dat heeft fundamentele institutionele gevolgen voor de universiteiten, waarvan Berry er een bespreekt, namelijk het Bildungsideaal.

Het Duits-idealistische Bildungsideaal rekent niet alleen het bestuderen van het geheel van kennis, maar ook de persoonlijke ontwikkeling als gevolg van die studie tot cultuur, en neemt het zich als doel om het individu in beide te ontwikkelen. Berry vervangt dit humanistische ideaal met ‘digital Bildung,’ waarmee hij het digitale als centraal verbindend concept een plek wil geven. Dit nieuwe ideaal betekent voor Berry ten eerste een verschuiving van digital intelligence naar een digital intellect,’ of van een passieve houding die aanneemt wat wordt gezegd naar een kritische houding tot de consequenties van het digitale. Dit impliceert het verdwijnen van de gatekeepers of knowledge: „There no longer seems to be the professor who tells you what you should be looking up and the ‘three arguments in favour of it’ and the ‘three arguments against is’.” (8). Ten tweede betekent het een verschuiving van kwalitatief naar kwantitatief onderzoek. Dit stelt het bestaansrecht van een geesteswetenschap als mediastudies ten opzichte van communicatiewetenschappen op zijn minst ter discussie. Dit is een gevolg van het eerste omdat het digitale tot ondoordringbare hoeveelheden aan verzamelde data heeft geleid, waardoor volgens Berry nieuwe onderzoeksmethoden van belang worden: „Rather than a method of thinking with eyes and hand, we would have a method of thinking with eyes and screen.” (10). De belangrijkste consequentie hiervan is misschien wel het verdwijnen van close-reading, en diens vervanging door distant-reading. Het lezen als een patroonzoekende in plaats van begrijpende bezigheid (figuur 1). In zekere zin dus de verheerlijking van het oppervlakkige. Hangt dit punt dan ook niet samen met het verdwijnen van de expert, die vervangen wordt door een interdisciplinaire onderzoeker die overal wel iets van weet?

Fig. 1a. Lijngrafiek gegenereerd met Google Trends voor de query [„digital humanities”] in Google Search vanaf 2004 tot heden. De stippellijn geeft een geëxtrapoleerde voorspelling tot een jaar vooruit; letters geven nieuwskoppen weer.

Fig. 1b. Diagram gegenereerd met Google Trends voor de query [„digital humanities”] in Google Search vanaf 2004 tot heden. De kleurintensiteit van de blauwe vlakken representeert de regionale concentratie van zoekopdrachten per land.

Teruggrijpend naar de bespreking van Baudrillard hierboven is het echter van essentieel belang om de vraag te stellen in hoeverre deze data die de empirische realiteit zou moeten representeren überhaupt een geldig onderzoeksobject kan vormen.

4. Een epistemologische benadering van het web

Richard A. Rogers onderzoekt de logica van het Web en biedt belangrijke inzichten over hoe zoeken op het Web of het gebruik van ‘mapping technologies' kunnen bijdragen aan een beter begrip van maatschappelijke trends, waarden en zogenaamde ‘issue networks’. Hij dringt daarbij aan dat we niets op het Web als vanzelfsprekend moeten beschouwen. Daarmee sluit hij aan bij de ‘digital Bildung’ van Berry, die onder meer zo'n kritische houding verondersteld.

Terwijl Berry in 2011 pleit voor het ontwikkelen van nieuwe onderzoeksmethoden werkte Rogers in 2004 al verschillende van zulke concrete methodes uit om het Web op een meer intelligente manier te kunnen gebruiken en patronen over maatschappelijke, politieke verhoudingen en organisatie bloot te leggen. De kracht van die analyses berust vooral op een benadering van het Web als een medium, opgedeeld in een back-end en front-end. Volgens Rogers' analyses wordt in het back-end met algoritmes bepaalde voorkeur gegeven aan specifieke informatie, waardoor commerciële partijen of overheden alsnog een plek vinden. Ook in het front-end blijkt informatie te worden georganiseerd door diezelfde partijen. Door middel van concrete analyses laat Rogers zien hoe digitale methoden ingezet kunnen worden om sociale verhoudingen rondom bepaalde thema's te kunnen volgen die anders aan ons voorbij zouden gaan. Daarmee bewijst hij echter ook hoe deze analyses een specifieke vorm van kennis als gevolg hebben. Aan deze conclusie gaat Berry in zijn artikel geheel voorbij, maar is van essentieel belang. De specifieke kennis die we met deze computationele methoden kunnen vergaren lijken zich namelijk te beperken tot kennis over het territorium binnen het medium zelf. De door Baudrillard geproblematiseerde relatie tussen de geest en de empirische werkelijkheid wordt bij deze analyses voor lief genomen, maar blijft daarmee dus onopgelost. Je kunt niet legitimeren dat je een sociaal verschijnsel kunt volgen met zulke methoden, maar slechts dat de analyse van de data binnen het medium dat verschijnsel zou kunnen weerspiegelen. Of en in hoeverre die representatie vervolgens als waar kan worden aangenomen blijft echter problematisch.

Eerder werd al kort gewezen op Baudrillard's „staging of communication”, waarmee wordt gewezen naar de vanzelfsprekendheid van het simulacrum. Alle aspecten staan in dienst van de instandhouding van de mythe, en het simulacrum voelt uiteindelijk misschien zelfs meer werkelijk aan dan de empirische werkelijkheid zelf. Het simulacrum bevestigd onze ervaring van de werkelijkheid. Hoe belangrijk is het onderzoeken van deze hyperrealiteit ten opzichte van de empirische werkelijkheid? Anders gesteld: als het simulacrum net zo, of zelfs meer werkelijk voor ons is dan de empirische werkelijkheid, waarom willen we dan toch verlangen naar de legitimering van kennis over de empirische werkelijkheid?

5. Conclusie

Het hoofdthema in deze beschouwing was een epistemologische probleem als gevolg van een verschuiving in de ontologie van de geesteswetenschappen. Uitgaand van Saussureaanse semiotiek werd door Baudrillard allereerst de toegang tot de empirische werkelijkheid geproblematiseerd. Berry ging daar vervolgens aan voorbij in zijn betoog van een computationele wending in de geesteswetenschappen, maar pleitte voor een nieuwe ‘digital Bildung’ waarin het kritisch subject een centrale plek inneemt. Door de implicaties van de computationele wending te behandelen werd duidelijk dat die tot een kwantitatieve vorm van onderzoek leidt, en distant-reading prefereert boven close-reading. Voor geesteswetenschappers zijn dit twee kritische implicaties. Zoals duidelijk werd bij de methodologieën van Rogers leid dit tot nieuwe en specifieke vormen van kennis. Precies daarom is het dan ook te radicaal om de computationele wending als een nieuwe hoeksteen van wetenschappelijke kennis te aanvaarden. Tegelijkertijd bieden computationele methoden een uiterst vruchtbare grond die tot veel nieuwe inzichten heeft geleid en kruisbestuivingen met disciplines die voorheen geen gezamenlijke grond hebben kunnen vinden mogelijk maakt. Laat deze wending daarom een welkome verrijking zijn voor mediastudies en andere geesteswetenschappen, maar laten we die wel kritisch beschouwen.

6. Bibliografie

Baudrillard, Jean. Simulacra & Simulation. Trans. Sheila Faria Glaser. Ann Arbor: University of Michigan Press, 1995. Print.

Berry, David M. “The Computational Turn: Thinking About the Digital Humanities.” Culture Machine 12 (2011): 1–22. Print.

Dhamee, Yousuf. “A Critique of Baudrillard.” Cyberspace, Hypertext, & Critical Theory. Cyberarts and Cyberculture Research Initiative, n.d. Web. 17 Nov. 2012. <http://www.cyberartsweb.org/cpace/theory/ydbaud.html>.

Fruhling, Zachary. “Jean Baudrillard, the Hyper-Real, and Scientific Realism in Philosophy of Science: An Undergraduate College Philosophy Paper on Jean Baudrillard and Scientific Realism.” Yahoo! Voices. Yahoo! Inc., 29 Sept. 2008. Web. 17 Nov. 2012. <http://voices.yahoo.com/jean-baudrillard-hyper-real-scientific-realism-1996313.html?cat=4>.

Gingrich, Newton L. “Baudrillard.” Sociology 319 – Contemporary Social Theory. University of Regina, 6 Apr. 2000. Web. 17 Nov. 2012. <http://uregina.ca/~gingrich/a600.htm>.

Kellner, Douglas. “Baudrillard: A New McLuhan?” Illuminations: The Critical Theory Website. University of Texas at Arlington, Dec. 1998. Web. 17 Nov. 2012. <http://www.uta.edu/huma/illuminations/kell26.htm>.

Knight, Charles G. “Review of: Rogers, R. Information politics on the Web.” Information Research 11.2 (2005): n.pag. Print.

Lane, Kevin. “Review: Information Politics on the Web by Richard Rogers.” InterActions: UCLA Journal of Education and Information 1.2 (2005): 1–3. Print.

Rogers, Richard A. Information Politics on the Web. Cambridge, MA: The MIT Press, 2004. Print.

de Saussure, Ferdinand. Course in General Linguistics. Trans. Wade Baskin. New York: Columbia University Press, 1965. Print.

Info
Title: Epistemologie en digitale geesteswetenschappen [English: Epistemology and Digital Humanities]
Subtitle: Een reflectie op Jean Baudrillard, David M. Berry en Richard Rogers [English: A commentary on Jean Baudrillard, David M. Berry, and Richard Rogers]
Type: Commentary; Assignment
Author.name: F. N. (Fernando) van der Vlist
Author.affiliation: College of Humanities, Faculty of Humanities, University of Amsterdam
Instructor.name: N. (Nina) Köll; C. S. (Charlotte) Dwyer
Instructor.affiliation: Dept. of Media Studies, Faculty of Humanities, University of Amsterdam
Keywords: epistemology, digital humanities, computational turn, digital bildung, simulation, semiotics
Length.words: 1,934
Length.reading: 11 mins
Element.figure: Fig. 1a; Fig. 1b
Date.submitted: 3 Dec. 2012
Date.publishedonline: 6 Dec. 2012
Date.evaluated: 18 Dec. 2012
Language: Dutch (The Netherlands)
Documentation.style: Modern Language Association (7th ed.)
Export.citation: BibTEX
Export.print: javascript:window.print()
2012– fernandovandervlist.nl
v1.2.30